zinsdelen – door elkaar – 04

Onderwerp, werkwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Hoe heet het zinsdeel tussen de haakjes?

1. (Ga) jij in de winter ook vaak (schaatsen)?
2. Moet je (die geraapte appels) niet eerst wassen?
3. (Boven op de kast) ligt een stapeltje nieuwe cd's.
4. Op de onderste plank liggen (de lp's).
5. Achter die grote vaas (staat) dat kleine kerststalletje.
6. ('s Avonds) luister ik graag naar de radio.
7. Mika heeft (een nieuwe rugtas) gekocht.
8. (De pennen in het paarse etui) hebben gelekt.
9. In B21 staan (erg veel computers).
10. De gymles (werd onderbroken) door een brandalarm.