ij of ei?
1. Het sp t me dat ik niet langer kan blijven. 2. Ik vind andijvie en pr best wel lekker. 3. Tandpijn kun je verm den.
ie, y, ea of i? 4. Vanaf de tribune keken we naar de harmon . 5. Het t m presteerde minimaal. . 6. De politie inspecteerde de mach ne. 7. F siek heeft de soldaat het bijzonder moeilijk. 8. Een griepep demie in juni is niet logisch. 9. Vier leerlingen vielen van de trampol ne.
c, cc, ck, k of kk? 10. Die a u geeft geen enkele reactie. 11. De dire teur betaalde met een cheque. 12. Mijn conditie is pui . 13. A ommodatie is qua spelling een vervelend woord. au of ou? 14. Sn wen en fraude plegen horen niet. 15. Staatslieden gaan wel eens op diëntie bij de paus. 16. Het woord m soleum moet ik opzoeken.
c, s, ss, zz of z? 17. Het IJ elmeer heette vroeger Zuiderzee. 18. Droeg de Marokkaanse ja zanger een rode fez? 19. In de pauze was er een en al geroe emoes in de kantine. ch of g? 20. Er klonk gela om de grappen van de goochelaar.