ij of ei?
1. De arbeiders p nsden er niet over om het zware karwei af te maken. 2. Zei z dat werkelijk? 3. Deze f ten zijn aanleiding voor een nader onderzoek. 4.Tapijten r nigen is een vervelend karweitje. ie, y, ea of i? 5. De artiest is zeer act f. 6. In de tax at hij zijn friet met frikadel. 7. De dief had geen alib voor die twintig minuten. 8. De sympathieke zuster gaf hem een asp rientje.
c, cc, ck, k of kk? 9. De circusartiest jongleerde met een tennisra et. 10. Die ra et blijft continu signalen uitzenden. 11. De kni ers liggen in een cirkel.
au of ou? 12. In de pauze heb ik een verk dheid opgelopen. 13. Zou een kabeljauw wenkbr wen hebben? 14. Hij kon zijn sch der nauwelijks bewegen. 15. In augustus deed de br werij goede zaken.
c, s, ss, zz of z? 16. In de kruiswoordpu el moest het woord autoaccessoires worden ingevuld. 17. Een ra ist vindt bepaalde mensenrassen superieur aan andere. 18. De Portuge e toerist lustte geen sperziebonen.
ch of g? 19. De bewoners van de bur t zijn overleden aan cholera. 20. De ar ivaris deed een grote ontdekking.