Grammatica - zinsdelen
Geef in de onderstaande oefening aan, wat de pv (persoonsvorm), het wwg (werkwoordelijk gezegde) en het ow (onderwerp) is.
1. Schaatsen bestaat al heel erg lang.
pv=
wwg=
ow=
2. In de prehistorie wilde de mens al snel de ijsvlakten oversteken.
pv=
wwg=
ow=
3. Ze gebruikten toen dierlijke botten.
pv=
wwg=
ow=
4. De botten werden geslepen tot het oppervlak glad genoeg was.
pv=
wwg=
ow=
5. Op die botten gleed je dan over het ijs.
pv=
wwg=
ow=
6. De allereerste schaatsen heetten glissers.
pv=
wwg=
ow=
7. Een glis werd gemaakt van een rib of een middenvoetsbeen van een rund, paard of hert.
pv=
wwg=
ow=
8. De prehistorische mens moest de glis aan zijn voet binden met palingvellen.
pv=
wwg=
ow=
9. In de loop der eeuwen is de schaats enorm verbeterd.
pv=
wwg=
ow=
10. Je gebruikt nu gelukkig veters of klemmen in plaats van palingvellen.
pv=
wwg=
ow=
Check
OK
terug naar 'Online oefeningen'