lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp
Zoek in de onderstaande zinnen het lijdend voorwerp (lv) en het meewerkend voorwerp (mv).
De minister geeft het onderwijs extra geld
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Waarom heb jij je vader dat pakje niet gegeven?
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
De docent gaf Marc aan het eind van de les zijn mp3-speler terug.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Ze hebben de bezoekers bij de opening een leuke verrassing gegeven.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Ieder uur stellen de leerlingen die docent heel veel vragen.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Die docent liet de tweede klas op tijd het proefwerk inzien.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Ik leen mijn broer dat boek mooi niet!
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Het Rode Kruis gaf voedselpakketten aan de slachtoffers van de aardbeving.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
De leerling heeft de directeur het eerste jaarboek aangeboden.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Dat vakantiebaantje heeft ons 200 euro opgeleverd.
Het lijdend voorwerp (lv) =
Het meewerkend voorwerp (mv) =
Check
OK
Terug naar 'Online oefeningen'