ott - ovt - vtt - vvt
Bepaal in welke tijd de onderstaande zinnen staan. Kies uit
ott
(onvoltooid tegenwoordige tijd)
,
ovt
(onvoltooid verleden tijd)
,
vtt
(voltooid tegenwoordige tijd)
of
vvt
(voltooid verleden tijd)
Hij heeft zijn koffer op het vliegveld laten staan.
Deze zin staat in de
.
Ik wil het daar niet meer over hebben!
Deze zin staat in de
.
Sandra mag ’s avonds na tien uur niet meer naar buiten.
Deze zin staat in de
.
Piet had zijn fiets in elkaar gereden.
Deze zin staat in de
.
Dat drankje leek me erg lekker.
Deze zin staat in de
.
Tante Rita bracht vorige week een lekker luchtje voor me mee.
Deze zin staat in de
.
Die schilderijen zijn deze week nog te bezichtigen.
Deze zin staat in de
.
Wanneer heeft hij zijn rijbewijs gehaald?
Deze zin staat in de
.
Hij was al een paar keer in Parijs geweest.
Deze zin staat in de
.
Ik krijg nog een tientje van je!
Deze zin staat in de
.
Check
OK
Terug naar 'Online oefeningen'