werkwoordspelling - PV (VT)
Zet de PV in de verleden tijd (VT)
Waar (bestellen)
zij die kaarten?
Mijn moeder (vergeten)
wat ze mee moest nemen.
Ik (verbazen)
me er niet over.
De situatie (lijken)
onhoudbaar te zijn geworden.
Haar vriend (posten)
dat valentijnskaartje nog net op tijd.
De vakantiegangers (ontbijten)
die ochtend al vroeg.
Hij (springen)
toen een gat in de lucht.
De overvallers (rijden)
met hoge snelheid de stad uit.
Er (vallen)
een stilte na die opmerking.
Dat (zien)
wij boven op de heuvel.
Mijn broer (kopen)
een nieuwe gsm via het internet.
De koplopers (vergroten)
de voorsprong.
Die meisjes (staren)
me al een tijdje aan.
Hij (winnen)
de wedstrijd gemakkelijk.
Mijn auto (starten)
vanmorgen alweer niet.
Check
OK
Terug naar 'Online oefeningen'