alle/allen – sommige/sommigen – 01

1. We gingen met zijn (...) naar de bioscoop.
2. (...) leerlingen leren nooit voor een s.o.
3. Veel zwemmers hebben brede schouders, maar (...) juist helemaal niet.
4. (...) onder ons zijn heel goed in Nederlands.
5. Katten zijn leuk. (...) vind ik vervelend.
6. De kraaien hebben (...) het land verlaten.
7. Ik heb twee zussen. Ze zijn (...) erg goed in wiskunde.
8. De meeste leerlingen doen een maatschappelijke stage, terwijl (...) het dit jaar niet doen.
9. Hans had twee foto's gemaakt. Ze zijn (...) mislukt.
10. De kippen waren (...) ontsnapt.