hoofdletters – 01

1. Mevrouw (.......) liep naar de bakker.
2. Janny wilde een (.....) broodje kopen.
3. In het (....) van het land is het meestal kouder.
4. Peter (...) Velden is de nieuwe docent (...).
5. (.....) gingen we naar de bioscoop.
6. (.......) wilden samen een proefwerk maken.
7. (......) hebben het eerste uur gemist.
8. Ik wil van (..........) een duidelijk antwoord krijgen.
9. Bij de (....) kun je nu leuke (......) kopen.
10. Jij woont toch in de (.....) in (.....)?