hoofdletters – 02

1. In (....) is het meestal heerlijk weer.
2. (.............) riep Marjon.
3. ''Het is hier koud,'' zei Pieter, (.......)
4. Ik drink alleen (........)
5. Ga je mee (.....) zoeken?
6. Ga jij naar de kerk als het (....) is?
7. Vince gaat trouwen met (........).
8. Kaartjes voor het concert kun je afhalen bij mevrouw (.........).
9. (.....) nu al drie dagen achter elkaar!
10. Anna en ik hebben uren langs (........) gelopen.