hoofdletters – 03

1. Meneer (...) woont in dat grote huis.
2. Jan (...) moet zich melden bij de portier.
3. Jans (...) regelt de financiën hier.
4. Dat doet mevrouw (...) al drie jaar niet meer.
5. Meneer (...) houdt niet van spijbelaars.
6. Heb je dat aan (...) gevraagd?
7. In die auto rijdt meneer (...) altijd mee.
8. Jasmijn (...) loopt straks met je mee.
9. Juffrouw (...) struikelde over haar eigen japon.
10. Piet (...) is de nieuwe voorzitter van de voetbalclub.