verkleinwoorden

Woorden kun je in het Nederlands op verschillende manieren ‘kleiner maken’. Meestal doe je dat door -je of -tje achter het woord te zetten, bv. kop – kopje, of trein – treintje.

Er zijn echter een heleboel woorden die je op een andere manier verkleint. Hieronder zie je verschillende regels voor verkleinwoorden. Let op: er blijven altijd nog woorden over waarvoor wel regels zijn, maar die zijn best ingewikkeld. Het gemakkelijkst is om die woorden uit je hoofd te leren, zodra je ze tegenkomt. Voorbeelden van dat soort woorden zijn: ster – sterretje, jongen – jongetje, rel- relletje en bom – bommetje.

Van -m naar -mpje:
Woorden die eindigen op -m, verklein je meestal door er –pje achter te zetten. Bv. bezem – bezempje.

Van -ing naar -inkje of -ingetje:
Woorden die eindigen op –ing, verklein je door er –inkje of –ingetje van te maken. Bv. koning – koninkje, ding – dingetje.

Van – i naar – ietje:
Woorden die eindigen op -i, verklein je door er -ietje van te maken. Bv. ski – skietje.

Van -y naar -y’tje:
Woorden die eindigen op –y, verklein je met behulp van een apostrof. Bv. lolly – lolly’tje.

Van een lange klinker naar een extra klinker:
Woorden die eindigen op een lange klinker -a, -e, -é, -o of -u, verklein je door een extra klinker te gebruiken, en tje daarachter te zetten. Bv, auto – autootje, saté – sateetje, menu – menuutje.

OEFENEN:
verkleinwoorden – 01
verkleinwoorden – 02
verkleinwoorden – 03