voltooid deelwoord als bn – 01

1. Je hebt nu de (testen) versie van dat apparaat in je handen!
2. Mijn (intapen) enkel doet nog steeds zeer.
3. Die (aanbranden) aardappels zijn niet te eten!
4. Het (verwachten) cadeautje kreeg ik niet.
5. De (vinden) ID-kaart bleek van Jan te zijn.
6. Op die (vergroten) tekening kan ik alles beter zien.
7. De (achterblijven) leerlingen werkten nog tien minuten verder aan hun werkstuk.
8. Ik wilde dat (beeldhouwen) varken wel in mijn tuin zetten.
9. Je zult zo'n (bekladden) muur maar schoon moeten maken!
10. Het (boycotten) land had al snel een tekort aan graan.