Engelse werkwoorden TT – 02

Kies de juiste vorm voor de tegenwoordige tijd.

1. Kathrin (showen) ons morgen haar nieuwe kunstwerk.
2. Sjaak (joggen) het liefst om zeven uur 's morgens.
3. (deleten) je die vreselijke plaatjes nu meteen?
4. Je klasgenoot (faken) die flauwtes heel knap.
5. Je (boycotten) beter geen handel uit een ander land.
6. Janis (googelen) alle informatie voor haar werkstuk in vijf minuten bij elkaar.
7. Tijdens de lessen Nederlands (relaxen) Quinto het best.
8. (zappen) je zus steeds naar een andere zender?
9. (upgraden) Hans dat spelletje twee keer per dag?
10. Als ik mijn huiswerk af heb, (chatten) ik even met Peter.