Engelse werkwoorden VT – 01

Kies de goede vorm voor de verleden tijd.

1. In de herfstvakantie (promoten) we het bluesfestival in de stad.
2. Justus en Jacco (volleyballen) met Ymke en Heleen tijdens de sportdagen.
3. Pim (crossen) met zijn mountainbike gewoon over het ijs heen!
4. Bas en Gijs (skaten) met zijn tweeën door de straten van Emmen.
5. (downloaden) je die film nog voor mij?
6. De chirurg (faceliften) de oude dame met behulp van geavanceerde apparatuur.
7. Op het verjaardagsfeestje van Lars (paintballen) we met tien vrienden in het bos.
8. Ilayda (barbecueën) vijf worstjes en tien kippenpootjes op een piepklein barbecuetje.
9. Romy en Mariëlle (racen) op hun fietsen langs het gymnastieklokaal.
10. Vogue Magazine (fotoshoppen) de cover met beroemde zangeres, dat zag je zó.