Engelse werkwoorden VT – 02

Kies de goede vorm in de verleden tijd.

1. Esmee en Indy (toasten) samen zes witte boterhammen voor de lunch.
2. Gisteren (joggen) Niek vijftien kilometer door de bossen.
3. Tijdens de marathon (finishen) Anniek en Irma tegelijkertijd.
4. (saven) Wout zijn proefwerk op zijn eigen USB-stick?
5. Bij dat autobedrijf in Amsterdam (leasen) mijn oom een dure Porsche.
6. Mijn oma (bridgen) iedere dinsdagavond met haar vriendinnen.
7. Bij de Kibbelkoele (relaxen) Joost na een dag hard studeren.
8. (rugbyen) jouw broers vroeger ook al?
9. Sanne (retweeten) het bericht van Stefan gisteren al.
10. Zoals Philip (rappen), kan ik het niet, hoor!