persoon, getal en tijd

Voor het spellen van persoonsvormen is het handig om te kijken naar drie dingen die met het onderwerp en de persoonsvorm te maken hebben: persoon, getal en tijd. Wat bedoelen we daarmee? Kijk snel verder:

persoon
Staat het onderwerp in de eerste, de tweede of de derde persoon? Het is handig om een correct antwoord op deze vraag te kunnen geven, want als je weet welke persoon ‘het onderwerp is’, dan kun je vervolgens de persoonsvorm ook correct spellen.

De eerste persoon (1ste) van het onderwerp kan zijn: ik, we of wij. (Of je moet het onderwerp daardoor kunnen vervangen.)
bijvoorbeeld: 
Ik bak koekjes. Het onderwerp is ‘ik’. Het onderwerp staat dus in de eerste persoon.
Mijn ouders en ik gaan naar Spanje. Het onderwerp is ‘Mijn ouders en ik’. Dit kun je vervangen door ‘wij’. Het onderwerp staat dus in de eerste persoon.

De tweede persoon (2e) van het onderwerp kan zijn: u, je, jij of jullie. (Of je moet het onderwerp daardoor kunnen vervangen.)
bijvoorbeeld:
Jij mag naar huis. Het onderwerp is ‘jij’. Het onderwerp staat dus in de tweede persoon.
Marieke en jij kunnen dat wel even doen. Het onderwerp is ‘Marieke en jij’. Je kunt dit vervangen door ‘jullie’. Het onderwerp staat dus in de tweede persoon.

De derde persoon (3e) van het onderwerp kan zijn: zij, ze, hij, het, men. (Of je moet het onderwerp daardoor kunnen vervangen.)
bijvoorbeeld:
Zij willen naar de kermis. ‘Zij’ is het onderwerp. Het onderwerp staat dus in de derde persoon.
Joris en Jolieke gaan niet mee. ‘Joris en Jolieke’ is het onderwerp. Het onderwerp staat dus in de derde persoon.

OEFENEN
persoon – 01
persoon – 02

getal
Het getal, enkelvoud of meervoud, heeft te maken met het onderwerp, maar vind je ook weer terug in de persoonsvorm. Het getal van het onderwerp moet hetzelfde zijn als het getal van de persoonsvorm. In het zinnetje ‘Ik hebben geen idee’ is het getal van het onderwerp niet hetzelfde als het getal van de persoonsvorm. Het onderwerp, ‘Ik’ is enkelvoud (het is er maar één) en de persoonsvorm is meervoud (‘hebben’ gebruik je voor mééŕ zaken).

bijvoorbeeld:
Mijn vader koopt morgen een nieuwe fiets. Het onderwerp is ‘Mijn vader’. Dit is er maar ééntje. Het getal is dus: ‘enkelvoud’.
Marieke en Jolein houden niet van gehakt. Het onderwerp is ‘Marieke en Jolein’. Dit zijn er twéé. Méér dan één…dús: meervoud.

OEFENEN
getal – 01

tijd
De tijd vind je alleen terug in de persoonsvorm. Aan het onderwerp kun je dat niet zien. Om te spellen kijk je naar twéé tijden: tegenwoordige tijd en verleden tijd.

bijvoorbeeld:
De kinderen wachtten op een nieuwe opdracht. De persoonsvorm is ‘wachtten’. Door de dubbele ‘t’ (ik-vorm + ten) zie je dat het verleden tijd is.
Wij mogen helemaal niet naar buiten. De persoonsvorm is ‘mogen’. Dit is een vorm uit de tegenwoordige tijd.

OEFENEN
tijd – 01