persoon – 01

In welke ‘persoon’ staan het onderwerp en de persoonsvorm?

1. Quincy wilde de oefening niet maken.
2. Je mag die vraag wel overslaan,
3. Wij willen morgen een vrije dag!
4. Morgen mogen Gillian en Jan hun nieuwe hondje ophalen.
5. 's Morgens moet je me niet te vroeg wakker maken.
6. Voor de deur van de winkel staat een fiets geparkeerd.
7. De docent had het drie keer uitgelegd.
8. Willen jullie het bord schoonmaken, alsjeblieft?
9. Mijn vader en ik gaan morgen naar de kermis.
10. De schapen stonden al uren in de stromende regen te wachten op de herder.