persoonsvorm

Persoonsvorm tegenwoordige tijd (PV-TT) enkelvoud:
voorbeeldwerkwoord = lopen

 Ik-vorm (= loop) ik Ik loop naar de bakker.
je/jij ná de persoonsvorm
(let op: je moet je door jij kunnen vervangen!)
Loop je naar de bakker?
Loop jij naar de bakker?
gebiedende wijs  Loop eens door!
Ik-vorm + t (= loopt) Hij/zij/men/het/u
(of alles wat je door hij/zij/men/het/u kunt vervangen)
Hij loopt naar voren.
U loopt na de bakker naar links.

Persoonsvorm tegenwoordige tijd (PV-TT) meervoud:

Infinitief (= lopen) wij/jullie/zij
(of alles wat je door wij/zij/jullie kunt vervangen)
Wij lopen naar huis.
Zij lopen nog een rondje.

OEFENINGEN:
persoonsvorm TT – 01
persoonsvorm TT – 02
persoonsvorm TT – 03
persoonsvorm TT – 04
persoonsvorm TT – 05

Persoonsvorm verleden tijd (PV-VT):

Onregelmatige (sterke) werkwoorden: schrijf op wat je hoort. Voorbeelden:

zwemmen hij zwom wij zwommen
kopen ik kocht jullie kochten
lijken jij leek zij leken

Regelmatige (zwakke) werkwoorden: ik-vorm + de(n) / te(n)

Om te kijken of er +de(n) of +te(n) achter de ik-vorm moet, kun je twee dingen doen:
1. Je kunt kijken wat je hóórt. Bijvoorbeeld: kapen, kaapte… willen, wilde…
2. Je gebruikt het ex-kofschip. Pak het hele werkwoord. Haal de laatste twee letters (en) eraf. Welke letter staat nu op het eind? Staat die in het ‘t exkofschip (alleen de medeklinkers gebruiken, hier vet gedrukt)? Nee? Dan: +de(n). Staat de laatste letter wèl in t exkofschip, dan moet je +te(n) achter de ik-vorm plaatsen.

Let op: +de/+te gebruik je bij de enkelvoud(EV), +den/+ten gebruik je bij het meervoud(MV).
Voorbeelden:

Branden de kaars (EV) brandde
surfen De jongen (EV) surfte surfen – en = surf. ‘f’ staat in t exkofschip, dus: +te
krabben De arbeiders (MV) krabden krabben – en = krabb. ‘b’ staat NIET in t exkofschip, dus: +den

OEFENINGEN:
persoonsvorm VT – 01
persoonsvorm VT – 02
persoonsvorm VT – 03
persoonsvorm VT – 04
persoonsvorm VT – 05
persoonsvorm VT – 06