persoonsvorm TT – 01

1. De luie molenaar (stoppen) met malen.
2. De rivier (stromen) door verschillende landen.
3. Mijn buurvrouw (verbranden) regelmatig haar huisvuil in een grote ton.
4. Mijn kat (hebben) weer eens een muis naar binnen gesleept.
5. Mensen die vaak aan anderen denken, (vergeten) vaak zichzelf.
6. De eigenwijze lerares (wijten) de vele fouten in het proefwerk aan de werkhouding van haar leerlingen.
7. Ik (branden) de laatste tijd geregeld mijn vingers.
8. (roken) je vader nog altijd zulke dikke sigaren?
9. Mijn zus (vinden) vast nooit een geschikte man.
10. Wie de bon (invullen), krijgt een leuke verrassing.