persoonsvorm TT – 03

1. Maria (verbeelden) zich, dat ze de beste is.
2. (vinden) je het goed dat ik even wegga?
3. Morgen (worden) hier een sportwedstrijd georganiseerd.
4. Die advocaat (beïnvloeden) de juryleden.
5. Je (houden) vast niet meer van mij.
6. De druk (worden) me te groot.
7. (worden) je wel eens door de docent geholpen?
8. De mentor (lanceren) een nieuw plan van aanpak.
9. Als je de prijzen onverwacht (verhogen), nemen je klanten je dat vaak niet in dank af.
10. Jij (aanvaarden) mijn excuses niet?