persoonsvorm TT – 06

1. (wandelen) je 's morgens samen met Joris naar school?
2. Je (zullen) wel moe zijn na zo'n zware dag.
3. In de badkamer (klinken) je gezang nog steeds even vals, hoor.
4. Voor dat vergrijp (worden) je zwaar gestraft.
5. (schrijven) je jouw naam nu mèt of zonder een hoofdletter?
6. (schrijven) je moeder iedere week een brief aan je oma?
7. (pakken) jij eens een koekje voor me!
8. (denken) je dat je leuk bent?
9. Iedere dag (maken) je tien wiskundesommen.
10. Jij (hoeven) niet zo ontzettend veel te doen, hoor.