persoonsvorm VT – 01

1. Zijn moeder (zijn) het er niet mee eens.
2. (Staan) je daar al lang te wachten?
3. Het (opluchten) me wel ....., toen hij eindelijk weg was.
4. Er (gebeuren) bijna nooit eens iets leuks!
5. Alles (veranderen) toen de liefde bleek te zijn uitgedoofd.
6. Hij (vluchten) het huis uit.
7. (Onderhouden) je destijds de tuin helemaal zelf?
8. Vroeger (moeten) mensen veel harder werken voor hun brood.
9. Toen ze de computer (starten), zag ze dat er een barst in het scherm zat.
10. Hij (betalen) meestal contant.