persoonsvorm VT – 02

Kies de juiste spelling van het werkwoord in de verleden tijd.

1. Het huis (branden) vorige week helemaal uit.
2. De vrachtauto (laten) een spoor van motorolie achter op de weg.
3. Tijdens de toneelavond (verloten) men een aantal mooie prijzen.
4. De secretaresse (faxen) een brief naar de voorzitter van de examencommissie.
5. Het (bevreemden) me dat jij niet met de wedstrijd meedoet.
6. (hebben) de Vikingen vroeger echt liever een helm zonder hoorns gedragen?
7. Die vervelende mensen achter ons (kuchen) tijdens de hele voorstelling in onze nek.
8. Mijn vader (verzetten) zich tegen het besluit van de overheid.
9. Mijn zus (fietsen) gister door het rode licht.
10. Ik (zetten) gisteren een heerlijk kopje koffie voor mevrouw Verberk. Helaas vergat ze de koffie op te drinken.