persoonsvorm VT – 03

1. Mijn oom (breien) gele sokken met blauwe boordjes. Mijn tante kreeg van schrik een appelflauwte.
2. Mijn ouders (kopen) in 1977 voor vijftienduizend gulden een compleet huis.
3. Hij (stofzuigen) het hele huis, omdat zijn vrouw ieder moment thuis kon komen.
4. Anita (ontdekken) te laat dat ze haar bankpas op de toonbank had laten liggen.
5. Monique (zetten) de rozen die ze aan Siebe wilde geven even in een bak water.
6. Ze (afwassen) snel ... , zodat ze nog naar GTST kon kijken.
7. Hij (sporten) vroeger twee maal per week.
8. Het (lukken) haar maar niet om de juiste nummers bij de lotto in te vullen.
9. Hij (raden) er maar wat naar, toen hij zijn pincode was vergeten.
10. De kat (smakken) van genoegen, toen ze een kauwstaafje van de Lidl kreeg.