persoonsvorm VT – 04

Kies de juiste vorm van de persoonsvorm in de verleden tijd.

1. (lusten) je broer dat broodje niet?
2. De boeren (bemesten) hun land met koeienpoep.
3. Het (tochten) enorm in dat oude huis!
4. Ze (krabben) zich allemaal achter de oren na dat vreemde besluit.
5. Het schip (kapseizen) in die vreselijke storm.
6. Je (melden) je niet bij de concierge, vanmorgen!
7. De docent (vermoeden) dat je had gespiekt.
8. Ik (beloven) je helemaal niets, hoor.
9. De ballerina's (omkleden) zich allemaal (..) in de pauze.
10. Die oude vrouw aan de rand van het dorp (verwaarlozen) haar hondjes enorm.