samengestelde zinnen – spelling – 01

Spel de persoonsvormen in de onderstaande samengestelde zinnen op de juiste manier.

1. In de zomer (willen) ik graag zwemmen, maar in de winter (schaatsen) ik liever.
2. Marc (houden) van brownies, terwijl ik meer van cake (houden).
3. Als jij nu een touwtje om dat boek (binden), dan (zoeken) Lilly er een mooi stickertje bij.
4. (Vinden) je het goed dat Margje en Jesper de toets (maken)?
5. Omdat Willem liever (surfen), (wandelen) hij vandaag niet mee.
6. Jaron (lezen) soms een boek uit de bibliotheek, maar Paul (downloaden) liever een E-book.
7. Ik (zien) niet dat het water (koken).
8. Geert (verdelen) de taart niet eerlijk, omdat hij er zelf meer van (willen).
9. Mevrouw Verberk (draaien) haar boek om, zodat ik de tekst (kunnen) lezen.
10. (Lenen) je vader je geld, of (betalen) Martin jouw uitje?