tegenwoordig deelwoord

Tegenwoordig deelwoord (TD)

Het tegenwoordig deelwoord gebruik je als je wilt aangeven HOE iets of iemand iets doet. Het is ook iets wat op dat moment nog BEZIG is. Het is nog niet voltooid.

Je spelt het tegenwoordig deelwoord heel eenvoudig: infinitief + d.

Voorbeelden:  Hij schepte huilend de aangebrande koekjes van de bakplaat.

Je ziet hier duidelijk dat het TD aangeeft HOE de ‘hij’ iets doet. Hoe schept hij de aangebrande koekjes van de bakplaat? Dat doet hij huilend.

Gillend rende ze over de finishlijn. Ook hier zie je weer HOE ‘ze’ rende. Ze deed dat gillend.

Let op: het tegenwoordig deelwoord is GEEN onderdeel van het gezegde. Het is namelijk niet echt een werkwoord. Het geeft niet aan WAT iemand doet, maar HOE iemand iets doet.

OEFENINGEN:
tegenwoordig deelwoord – 01
tegenwoordig deelwoord – 02