voltooid deelwoord – 01

1. De 80-jarige heeft gisteren voor het eerst (zweefvliegen).
2. Ik zou daar ook hard om (lachen) hebben.
3. De kat heeft gisteren alweer met de hond van de buren (vechten).
4. Die kaars van Bolsius heeft de hele nacht (branden)
5. Die koekjes worden op 160 graden (bakken).
6. Misschien is dat verband te strak om de wond (binden).
7. Je had wel heel knap die beroemde acteur (imiteren).
8. Mijn moeder heeft gisteren het hele huis (stofzuigen).
9. Ongelooflijk, hoe hard hij door de straten heeft (racen)
10. Meneer Todor heeft mevrouw Verberk eergisteren nog op een kopje koffie (trakteren).