voltooid deelwoord – 02

1. De meeste kinderen zijn op het speelplein (achterblijven).
2. Die twee meisjes hebben vanmiddag wel honderd kinderen (schminken).
3. Heb je die nieuwe show gisteren al (aankondigen)?
4. Hij is door die ijsregen helemaal (verkleumen).
5. De trein is op tijd (vertrekken), hoor!
6. Om die vraag werd hard (schaterlachen).
7. Heb je al (informeren) naar de mogelijkheid om te blijven slapen?
8. De hond heeft wel een uur op dat bot (kluiven).
9. Die man heeft nog nooit werkelijk aandacht aan jou (besteden).
10. Je moeder heeft die vakantie toch (aanvragen)?