zwakke werkwoorden

Het spellen van zwakke werkwoorden, ofwel werkwoorden die in de verleden tijd dezelfde klank hebben als in de tegenwoordige tijd (bv. pakken – pakte – gepakt), wordt vaak lastig gevonden. Onder de lijst met oefeningen staat wat uitleg, maar je kunt natuurlijk ook gewoon gaan oefenen. De oefeningen zijn allemaal gemaakt door leerlingen uit havo 3 van het Esdal College Oosterstraat te Emmen.

OEFENEN:
zwakke werkwoorden – 01 (Danila)
zwakke werkwoorden – 02 (Amy)
zwakke werkwoorden – 03 (Jasper)

In de tegenwoordige tijd zijn de spellingregels hetzelfde als bij sterke werkwoorden. Je gebruikt de ik-vorm bij ‘ik’, bij ‘je/jij’ na de persoonsvorm, en bij de gebiedende wijs. Bij alle andere enkelvoudige vormen (hij, zij, het, u, etc.) gebruik je de ik-vorm + t. Bij meervoud gebruik je het hele werkwoord.

In de verleden tijd kun je vaak horen of er ‘de(n)’ achter moet, of ‘te(n)’. Bijvoorbeeld: likken, likte, gelikt. Bij het voltooid deelwoord (gelikt) verleng je de klank (gelikte) om te horen dat er hier een ‘t’ aan het eind moet komen te staan.

Wanneer je niet duidelijk kunt horen welke klank je moet gebruiken, dan kun je ’t ex-kofschip’ gebruiken, als je dat gemakkelijk vindt. Je kunt ook kijken welke klank er aan het eind van de stam (= hele werkwoord -en) staat. Die laatste letter is namelijk ‘stemhebbend’ (er klinkt een brom als je die uitspreekt…probeer het maar eens met de ‘z’) of hij is ‘stemloos’. Als je zo’n letter uitspreekt (de ‘k’ bijvoorbeeld) dan ‘bromt’ er niets.)

Als je laatste letter van de stam (=hele werkwoord -en) in ’t ex-kofschip staat (of: stemloos is), dan komt er -te(n) na de ik-vorm in de verleden tijd. Als de letter niet in ’t ex-kofschip staat (of: stemhebbend is) dan zet je er -de(n) achter.