zwakke werkwoorden – 01

Vul de juiste vorm van het zwakke werkwoord in.

Gebruik de tijd en de vorm die achter de zin staat.
OD = onvoltooid deelwoord (=tegenwoordig deelwoord)
VD = voltooid deelwoord
PVTT = persoonsvorm tegenwoordige tijd.
PVVT = persoonsvorm verleden tijd.

1. Hij (werken) aan een van zijn schoolopdrachten. VT
2. Mijn moeder (vertellen) mij een interessant verhaal. TT
3. Hij heeft nog steeds niet (antwoorden) VD
4. De storm (verwoesten) ons tuinhuisje. PVVT
5. Het vliegtuig (landen) op Schiphol. PVTT
6. Ik (vermoeden) dat al. PVVT
7. Waar heb jij dat shirt (bestellen)? VD
8. Hij (delen) dat bericht op Facebook. PVVT
9. Mijn auto is niet (starten) vanmorgen. VD
10. Dat meisje (staren) me de hele tijd aan. PVTT

 

Oefening gemaakt door: Danila