zwakke werkwoorden – 02

Vul de juiste vorm van het zwakke werkwoord in.

Gebruik de tijd en de vorm die achter de zin staat.
OD = onvoltooid deelwoord (=tegenwoordig deelwoord)
VD = voltooid deelwoord
PVTT = persoonsvorm tegenwoordige tijd.
PVVT = persoonsvorm verleden tijd.

1. De bediende (struikelen). PVVT
2. De kinderen (lachen) de leraar uit. PVVT
3. Hij (fietsen) elke dag naar school. PVTT
4. Ik (beantwoorden) de vraag fout. PVVT
5. Hij (vluchten) voor de pestkop. PVTT
6. De spits (dansen) om het doel heen. PVVT
7. Opa (verzamelen) postzegels. PVVT
8. Het meisje komt (huppelen) de gymzaal binnen. OD
9. De leraar (lachen) om het foute antwoord. PVVT

 

gemaakt door Amy