zwakke werkwoorden – 03

Vul de juiste vorm van het zwakke werkwoord in.

Gebruik de tijd en de vorm die achter de zin staat.
OD = onvoltooid deelwoord (=tegenwoordig deelwoord)
VD = voltooid deelwoord
PVTT = persoonsvorm tegenwoordige tijd.
PVVT = persoonsvorm verleden tijd.

1. Gisteren heb ik (sporten). VD
2. Mijn broer (verzorgen) een slang. PVTT
3. De pennen zijn gisteren (pikken). VD
4. Overmorgen (surfen) ik op Ibiza. PVTT
5. Ik heb mijn toets heel slecht (maken). VD
6. Ik (fietsen) gisteren naar school, toen het (regenen). PVVT
7. Wij (ruimen) mijn kamer op. PVTT
8. Toen zij (praten), sliep ik. PVVT
9. Vorige week (starten) het seizoen weer.
10. Ik (kletteren) van mijn fiets! PVVT

 

Deze oefening is gemaakt in samenwerking met: Jasper