beeldspraak

Als je figuurlijke taal gebruikt, noemen we dat ook wel ‘beeldspraak’; je gebruikt immers ‘beelden’ (figuren) om iets duidelijk(er) te maken. Een sterke man noem je geen ‘sterke man’, maar een ‘beer van een kerel’. De beer wordt hier als beeld gebruikt om iets duidelijk te maken, maar de man is natuurlijk geen echte beer. Hij heeft alleen de eigenschappen die we ook in een beer herkennen: hij is sterk!

In het voorbeeld hierboven is sprake van een vergelijking. Daarbij zie je steeds iets  (het object) wat met iets anders (beeld) wordt vergeleken. Er is dus sprake van twee elementen.

In een vergelijking zie je ook vaak het woordje ‘van‘ verschijnen (beer van een vent, dijk van een wijf) of een variant van het werkwoord ‘zijn’, vaak in combinatie met het woordje ‘als’  (die jongen is als was in mijn handen, de leerling is als een koppige ezel). Ook kun je het werkwoord ‘lijken’ tegenkomen (dat meisje lijkt wel een prinses, de kamer van mijn zoon lijkt wel een varkensstal).

Een andere vorm van beeldspraak is de metafoor. Ook hier gebruik je weer een beeld (een figuur) om iets duidelijk te maken. De metafoor bestaat maar uit één element. Het object ontbreekt. Neem bijvoorbeeld de metafoor ‘viswijf’. Met dit woordje bedoelen we iemand die heel hard en lelijk kan schreeuwen. Ik kan ook zeggen: ‘Ruim die varkensstal boven eens op!’ Ik gebruik in deze zin alleen het beeld. Dat waar ik naar verwijs (de rommelige kamer van mijn zoon) staat er niet naast. Dát maakt dat dit een metafoor is. We gebruiken, nogmaals, alleen het beeld.

Spreekwoorden en gezegdes zijn ook vaak metaforen. Kijk maar eens naar het spreekwoord: ‘Daar komt de aap uit de mouw!‘ Je ziet, dat is een heel gek beeld. Daar bedoelt men vast iets heel anders mee. Dat is ook zo. Men bedoelt dat eindelijk duidelijk wordt wat de waarheid is. Het geheel is een beeld. Dat maakt het spreekwoord een metafoor.

Een bijzondere metafoor is de metafoor in werkwoord. Je herkent ‘m niet zo gemakkelijk, maar een tip is: zoek weer naar het beeld. Bij een metafoor in werkwoord vormt alleen het werkwoord het beeld. Als je zegt dat iemand ‘al zijn schepen achter zich verbrandt’, dan vormt niet alleen ‘verbrandt’ het beeld. Ook de schepen doen mee. In een zinnetje als ‘Ik brand van verlangen‘ vormt alleen ‘brand’ het beeld. Dit is dus een metafoor in werkwoord.

Een vierde vorm van beeldspraak is de personificatie. Deze vind ik persoonlijk erg leuk. Je geeft bij een personificatie levenloze dingen menselijke eigenschappen (eigenschappen van personen…). De wind kan bijvoorbeeld echt niet huilen. Alleen mensen kunnen huilen. Toch zeggen we weleens: ‘de wind huilt’. De tip hier is dan ook: kijk of alleen mensen dit kunnen doen. ‘Mijn auto smeekt om een onderhoudsbeurt‘ bevat ook een personificatie. Mijn auto kán namelijk helemaal niet smeken. Een mens kan dat wèl.

MEER ZIEN?

OEFENEN

beeldspraak – 01
beeldspraak – 02
beeldspraak – 03
beeldspraak – 04